Onderzoeksgedreven ontsluiting van museumarchieven: uitdagingen en kansen

META Nummer 2020/1

Onderzoeksgedreven ontsluiting van museumarchieven: uitdagingen en kansen

Geschreven door Noortje Lambrichts
Gepubliceerd op 04.02.2020
IMPORTANT

Hoewel er de laatste jaren een inhaalbeweging gebeurd is op het vlak van de ontsluiting van museumarchieven, ligt er nog steeds heel wat materiaal te wachten op verwerking. Om te kunnen voldoen aan de noden van zijn onderzoekers, voorziet het project Pyramids and Progress. Belgian expansionism and the making of Egyptology, 1830-1952 (P&P) uitdrukkelijk in de ontsluiting van de voor het onderzoek belangrijke archieven, bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG) te Brussel. Binnen het kader van dit project werkt een professioneel archivaris aan de identificatie van relevante fondsen en aan het prioritair ontsluiten ervan.

Eén bewaarinstelling, meerdere archiefvormers

De centrale onderzoeksvraag binnen P&P is de ontwikkeling van de Belgische egyptologie tegen de achtergrond van het Belgische industriële en expansionistische beleid van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. In dit project brengen onderzoekers transnationale netwerken van wetenschappers, politici, diplomaten, industriëlen, antiquairs, verzamelaars en andere actoren in kaart en analyseren ze hun samenstelling.

Hierbij wordt ook gekeken naar de intellectuele netwerken waarbinnen onderzoekers elkaar beïnvloedden over verschillende wetenschappelijke disciplines en landsgrenzen heen. Daarnaast wordt ook de herkomst en de archeologische geschiedenis van museale (deel)collecties nader bestudeerd. Deze verschillende invalshoeken vragen om een verscheidenheid aan bronnenmateriaal, dat onder andere bewaard wordt in de KMKG. 

Sommige van deze archieven werden nooit eerder geïnventariseerd. Daarom zet het project niet enkel in op onderzoek, maar ook op ontsluiting van de in het museum bewaarde archieffondsen en verzamelingen die relevant kunnen zijn voor de verschillende onderzoeksvragen. 

In het verleden wezen archivarissen reeds op het administratieve en cultuurhistorische belang van museumarchieven. Ook de KMKG-archieven hebben die belangen. Ten eerste bewaart het museum het eigen instellingsarchief, dat ook voor het onderzoek interessante bronnen te bieden heeft. Wie objecten uit de collectie wil bestuderen en bijvoorbeeld hun herkomst wil traceren, kan bijkomende informatie opzoeken in twee reeksen aanwinstendossiers.

 De eerste reeks heeft betrekking op door het museum aangekochte objecten. De tweede herbergt de dossiers van objecten die via schenking, legaat, ruil of bruikleen in de KMKG zijn terechtgekomen. Uit de selectielijst, opgesteld door het Algemeen Rijksarchief in 2008, is gebleken dat de centrale aanwinstenregisters grote lacunes vertonen.

De aanwinstendossiers zouden hierop een antwoord kunnen bieden, maar ook deze reeksen blijken onvolledig te zijn. Het is niet duidelijk of er voor bepaalde objecten nooit een dossier aangelegd werd of dat sommige dossiers de tand des tijds niet doorstaan hebben.

Andere reeksen die mogelijk interessante informatie bevatten, zijn onder meer de briefwisseling van opeenvolgende conservatoren en andere museummedewerkers, de (zeer onvolledige) werkingsverslagen van departementen, en personeelsdossiers van bepaalde medewerkers uit de eerste helft van de 20ste eeuw.

IMPORTANT
Aanwinstendossier collectie-Hagemans (© Archief Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis).

De KMKG huisvesten echter meer dan enkel het eigen instellingsarchief. Talrijke archieven van verenigingen en personen die door hun activiteiten een nauwe band hebben of hadden met de instelling, vinden er een veilig onderkomen. Deze archieven vormen niet louter de neerslag van de activiteiten van hun archiefvormers, maar vormen vaak ook een niet te verwaarlozen aanvulling op het instellingsarchief in de strikte zin.

Ze zijn er een uitbreiding van en voegen er betekenislagen aan toe. Het is hierbij niet onbelangrijk om te wijzen op de verschillende juridische statuten van deze fondsen. Waar het instellingsarchief van het museum officieel archief van een overheidsinstelling is, en dus onder het toepassingsgebied van de federale archiefwet valt, gelden voor de organisatiearchieven die niet zijn overgedragen aan de KMKG, andere regels.

Vermits deze laatste voortgebracht werden door privéorganisaties, worden ze beschouwd als private archieven. Archieven van zulke organisaties of personen die door schenking of aankoop werden verworven door het museum, gaan dan wel weer deel uitmaken van het patrimonium van het museum.

De vele petjes die Capart als archiefvormer opzette, resulteerden in een bijzonder moeilijk te ontwarren kluwen van archiefstukken

De archieven van het Egyptologisch Genootschap Koningin Elisabeth (EGKE), bijvoorbeeld, werden niet door de KMKG verworven en berusten tot op heden bij de archiefvormer zelf. De vereniging werd in 1923, na een bezoek van koningin Elisabeth aan het toen recentelijk ontdekte graf van Toetanchamon, opgericht door Jean Capart (zie kadertekst).

Tot op heden heeft het EGKE zijn maatschappelijke zetel in de KMKG en ook de historische archieven van de organisatie werden vanaf het begin in het museum bewaard. Deze laatste vormen, naast het instellingsarchief een belangrijke bron voor het onderzoek naar de ontwikkeling van de egyptologie in België en ver daarbuiten.

Het EGKE stelde zich tot doel om de studie van de egyptologie verder te stimuleren en te ondersteunen, o.a. via de aanleg van een internationaal vermaarde bibliotheek en een beeldarchief, het toekennen van subsidies aan jonge onderzoekers, het organiseren van opgravingen in Egypte, het  verzorgen van lezingen en conferenties en het uitgeven van het tijdschrift Chronique d’Égypte samen met talrijke andere publicaties.

Zijn werkzaamheden waren zowel gericht op wetenschappers uit uiteenlopende disciplines, als op een breed publiek van geïnteresseerden. Dit resulteerde in de uitbouw van een (internationaal) vertakt netwerk van correspondenten en leden.

De neerslag hiervan vindt men in de alfabetisch geordende briefwisseling en zaakdossiers die de kern uitmaken van het historisch archief van de vereniging. Het archief bevat ook stukken die betrekking hebben op het financieel beheer van de organisatie, hoewel de archiefvormer al eerder stukken selecteerde voor vernietiging.

IMPORTANT
Notitieboekje van Jean Capart (© Archief Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Dossier BE/380469/4/216).

Persoonsarchieven van individuele onderzoekers of verzamelaars vormen een andere belangrijke bron van informatie. In het geval van P&P is de verzameling archivalia van Jean Capart een andere belangrijke pijler binnen het onderzoek. Hoewel een deel van de archieven van Capart nog in privébezit zijn, beschikken de KMKG zelf ook over een aanzienlijke verzameling archiefstukken.

Enkele stukken dateren uit zijn jeugdjaren en vormen vroege getuigen van zijn interesse voor het oude Egypte. De overige stukken hebben vooral betrekking op zijn professionele leven en vormen een (onvolledige) weergave van zijn professionele activiteiten. Capart heeft als wetenschapperonderzoeker specifieke archiefstukken voortgebracht. 

Het gaat zowel om reisverslagen van o.a. enkele reizen naar Egypte, als om vele notities die hij neerpende tijdens zijn bezoeken aan Egyptische collecties overal ter wereld. Verschillende manuscripten van zijn publicaties zijn eveneens bewaard gebleven. Ook van zijn activiteiten in de Verenigde Staten zijn sporen terug te vinden.

Zo stelde hij een dossier samen over zijn werk in het Brooklyn Museum in New York, waarin hij de vele contacten met antiquairs en andere wetenschappers bijhield. Door de veelheid aan functies, lidmaatschappen en contacten is het soms moeilijk om te onderscheiden in welke context een bepaald archiefstuk het leven zag.

Bovendien blijkt dat het ook voor de buitenwereld vaak onduidelijk was in welke hoedanigheid Capart moest aangeschreven worden. De ene keer was het “Monsieur le Directeur” wanneer het om EGKE-gerelateerde aangelegenheden ging, de andere keer werd het “Cher Monsieur Conservateur” indien men hem contacteerde in verband met museumzaken. 

Soms werd hij aangesproken als “Monsieur le Professeur” of gewoon als “Mon cher ami”. De vele petjes die Capart als archiefvormer opzette, resulteerden in een bijzonder moeilijk te ontwarren kluwen van archiefstukken.

Het blijft dan ook belangrijk voor onderzoekers om de verschillende archieffondsen en verzamelingen in samenhang te bekijken en te raadplegen. Het onderscheid is voornamelijk intellectueel, vermits de verschillende functies in de praktijk naadloos in elkaar overvloeiden.

Jean Capart, de spin in het museumweb

Jean Capart (1877-1947) was zonder enige twijfel een van de belangrijkste figuren in de ontwikkeling van de egyptologie in België. Deze geboren Brusselaar studeerde Rechten en schreef een proefschrift over het strafrecht in het oude Egypte. Naar aanleiding van ditzelfde proefschrift kreeg hij een beurs van de Belgische overheid.

Deze wendde hij in 1898-1899 aan om enkele belangrijke Europese collecties te bezoeken en lessen te volgen bij vooraanstaande egyptologen zoals Alfred
Wiedemann (Bonn), Adolf Erman (Berlijn), Gaston Maspero (Parijs) en Flinders Petrie (Londen). Vóór zijn benoeming tot adjunct-conservator van de Egyptische collectie in 1900, was Capart op vrijwillige basis verbonden aan de KMKG.

Het betekende het begin van een lange carrière binnen de muren van het museum. Hij zou er vervolgens conservator (1911-1925), adjunct-secretaris van de directie (1912-1925) en hoofdconservator (1925-1942) worden. Zijn professionele bezigheden bleven niet beperkt tot het museum zelf. Vanaf 1902 doceerde hij het vak egyptologie aan de universiteit van Luik, op dat moment een unicum in België.

Later zou hij in diezelfde instelling tot professor benoemd worden. Verder richtte hij in 1923 het EGKE op, waarvan hij tot aan zijn overlijden directeur bleef. Het werkveld van Capart beperkte zich niet tot zijn thuisland. Zijn reizen leidden hem doorheen Europa, naar Noord-Afrika, Noord- en Zuid-Amerika.

Zijn Amerikaanse avontuur ving in 1924-1925 aan op uitnodiging van de Commission for Relief in Belgium Educational Foundation, opgericht door de later Amerikaanse president Herbert Hoover. In 1932 werd hij door het Brooklyn Museum in New York uitgenodigd als advisory curator om er de Egyptische collectie verder vorm te geven en uit te breiden.

Deze taak zou hij tot net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ter harte nemen. Door de jaren heen publiceerde Capart talrijke wetenschappelijke en vulgariserende werken over uiteenlopende onderwerpen. Op deze manier trachtte hij de verspreiding van de kennis over het oude Egypte te vergroten en de ontwikkeling van de egyptologie als autonome wetenschap te stimuleren.

In 1947 kwam er ten gevolge van postoperatieve complicaties een eerder onverwachts einde aan zijn glansrijke carrière. Op 70-jarige leeftijd liet hij een grote erfenis na, zowel binnen de muren van het museum als erbuiten.

Het archief van verzamelaar Gustave Hagemans (1830-1908) is een ander voorbeeld van een persoonsarchief. Via een aankoop kwam het in 2004 in het bezit van de KMKG. Het archief bevat zowel stukken die betrekking hebben op het privéleven van Hagemans, als stukken die verwijzen naar zijn activiteiten als verzamelaar en (amateur)archeoloog.

Nadat hij als jongeman het fortuin van zijn grootvader geërfd had, kon hij zich toeleggen op het verzamelen van antiquiteiten, waaronder Egyptische objecten. Hij kocht o.a. stukken tijdens zijn reizen doorheen Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, waarvan sommige zouden terechtkomen in de collectie van de KMKG. Andere objecten zijn afkomstig uit de collecties van andere verzamelaars, zoals de Fransman Désiré Raoul Rochette (1790-1854).

Uniek aan de collectie-Hagemans is dat Hagemans zelf een catalogus opstelde en publiceerde en daarnaast ook aquarellen maakte van verschillende (verzamelingen van) objecten, die in een aangepaste versie opgenomen werden in de gepubliceerde catalogus. In 1861 schonk de gulle verzamelaar een deel van zijn collectie aan de KMKG, waardoor de verzameling Egyptische objecten van het museum eensklaps aanzienlijk vergrootte.

IMPORTANT
Tempel van Edfu, aquarel van Hagemans (© Archief Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Dossier BE/380469/5/89).

Onderzoeksgedreven ontsluiting: uitdagingen en voordelen

Uit het bovenstaande blijkt de grote diversiteit aan archieven die door de KMKG bewaard worden. Die verscheidenheid heeft ook gevolgen voor de verwerking van de fondsen. Zo hebben de verschillende juridische statuten uiteraard een invloed op de ontsluiting. Wat het archief van het EGKE betreft, werd vooraf toestemming gevraagd aan de archiefvormer. 

Er werden afspraken gemaakt over de omvang van het te behandelen materiaal, waarbij P&P zich zou beperken tot de inventarisatie van een homogeen geheel van archiefbescheiden dat ruwweg de periode vanaf de oprichting in 1923 tot 1960 beslaat.

Deze keuze had zowel te maken met de geschiedenis van de archieven, die duidelijke hiaten vertonen voor de periode na 1960, als met het opzet van P&P, dat de periode tot en met 1952 onderzoekt. Na verwerking zullen de zuurvrij verpakte archieven terugkeren naar de lokalen van de archiefvormer.

Omdat de archiefvormer zijn historisch archief tot op heden nog niet aan de KMKG geschonken heeft, werden ook enkele andere beperkingen opgelegd. Zo koos de vereniging ervoor om het verslagboek van de Algemene Vergadering en van de Raad van Bestuur (nog) niet te laten inventariseren. Uiteraard is dit een essentiële bron voor de studie van de geschiedenis van het EGKE zelf en is het op dit vlak een gemiste kans.

Een oplossing zou gevonden kunnen worden in het digitaliseren van het verslagboek. Daardoor zou een kopie ter beschikking kunnen worden gesteld voor onderzoek, terwijl het origineel in alle veiligheid bij de archiefvormer bewaard kan blijven. Een andere beperking betrof de inventarisatie van de steekkaarten van de leden.

Ook hier bleek de archiefvormer nog niet bereid om deze te laten inventariseren en verpakken. Wat betreft de verzameling archiefstukken van en door Jean Capart, lag de uitdaging vooral in de heterogeniteit van de stukken. Hoewel ze duidelijk door Capart zelf voortgebracht werden, zijn ze niet als zodanig in een organisch gegroeid geheel bewaard.

Sommige stukken, zoals de manuscripten van zijn publicaties, werden netjes geregistreerd en bewaard door de bibliotheek. Andere archiefstukken geraakten verspreid over verschillende locaties doorheen het museum en werden pas later door oplettende museummedewerkers herkend als materiaal van Capart en opnieuw bij elkaar gebracht.

Om deze redenen werd ervoor geopteerd om de stukken niet te beschrijven als een archieffonds, maar als een aparte verzameling. Dit geeft op een correctere manier de situatie weer waarin de stukken zich bevonden. Voor de ontsluiting ervan werd evenwel geopteerd voor een inventaris op basis van de functies die Capart doorheen zijn rijkgevulde carrière uitoefende.

De onderzoekers kunnen bijkomende informatie aanleveren over de archieven en hierdoor bijdragen aan het dateren van stukken, het identificeren van eigennamen enz.

De ontsluiting van het museumarchief binnen het opzet van P&P kent haar eigen problematiek. De relevante bestanddelen kunnen immers niet fysiek afgezonderd en beschreven worden, los van het fonds waarin ze zich bevinden.

De archivaris wordt hier dus uitgenodigd om het materiaal op een creatieve manier voor geïnteresseerde onderzoekers te ontsluiten. Vermits een traditionele inventaris in dit geval niet tot de mogelijkheden behoort, zal geopteerd worden voor een ander type toegang, bijvoorbeeld een archiefgids.

Deze gids kan de primaire bronnen van het KMKG-archief bundelen, die aangewend kunnen worden in de studie van de geschiedenis van de egyptologie. Dit komt enerzijds tegemoet aan de noden van de onderzoekers en biedt anderzijds een interessante bijkomende toegang tot het instellingsarchief. 

Een extra uitdaging bij de verwerking van de archieven is dat ze beschikbaar moeten blijven voor de onderzoekers van het project tijdens inventarisatie. Dit betekent dat de archivaris in een snel tempo zicht moet krijgen op de inhoud van het materiaal om eventuele vragen gericht te kunnen beantwoorden. Tegelijkertijd ligt in de nauwe samenwerking met de onderzoekers ook net de sterkte van het ontsluitingsproject. 

De onderzoekers kunnen namelijk bijkomende informatie aanleveren over de hierboven beschreven archieven en hierdoor bijdragen aan het (bij benadering) dateren van stukken, het identificeren van eigennamen enz. Zeker wat betreft de ontsluiting van archieven van wetenschappers is de bijdrage van experten ter zake een welkome hulp voor de archivaris.

Omdat netwerkanalyse en -visualisering voor de onderzoekers binnen P&P een belangrijke rol speelt, worden allerlei gegevens over personen, organisaties, gebeurtenissen, publicaties en objecten centraal verzameld in het online datamanagementplatform Nodegoat. Ondanks de arbeidsintensiviteit, betekent de invoer van relevante inventarisnummers bij de persoons- en organisatiefiches in Nodegoat wel een bijkomende toegang tot de archieven.

Bijgevolg kan de desbetreffende relevante informatie snel en gemakkelijk op één enkele zoeklocatie, namelijk in de databank, teruggevonden worden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat deze individuele verwijzingen in de databank nooit dezelfde meerwaarde kunnen bieden als een volwaardige inventaris. Een inventaris bevat immers een schat aan contextinformatie.

 Wanneer individuele nummers uit de inventaris gelicht worden om aan de databank toe te voegen, gaat de hiërarchie tussen de beschrijvingen onderling onherroepelijk verloren. Als de gegevensverzameling in Nodegoat na afloop van het project ter beschikking zal komen te staan van het brede publiek, zal dit natuurlijk wel een vereenvoudiging van het zoekproces inhouden.

Men vindt dan immers op één enkel platform informatie over het leven en werk van een persoon, eventuele relaties met andere personen of instellingen, verwijzingen naar archiefbestanddelen van of over de betreffende persoon of organisatie, maar ook referenties naar andere platformen zoals Wikipedia en – indien voorhanden – ook een of meerdere afbeeldingen.

Een blik op de toekomst: verdere ontsluiting en digitalisering

Het einde van dit project is nog niet in zicht. De eerste pijler, de inventarisatie van relevante fondsen, wordt voortgezet. Een tweede pijler, de digitalisering van belangrijke bestanddelen, zal in 2020 van start gaan en gebeurt om uiteenlopende redenen: de fragiele fysieke conditie van de stukken; hun belang en beschikbaarheid voor (internationaal) onderzoek; de mogelijkheid om de gedigitaliseerde stukken op een extern platform te plaatsen en er handwritten text recognition (HCR) op toe te passen, ze te transcriberen, te taggen of er andere analyses op uit te voeren.

Pyramids and Progress

P&P wordt gefinancierd door het FWO en het FRS-FNRS in het kader van het EOS-onderzoeksprogramma en groepeert meer dan vijftien onderzoekers uit niet minder dan vijf wetenschappelijke instellingen: KU Leuven, ULB, UGent, Musée royal de Mariemont en de KMKG. Voor meer informatie over het EOS-project, raadpleeg de website www.pyramidsandprogress.be. De afgewerkte inventarissen en (een selectie van) de gedigitaliseerde stukken zullen in de toekomst raadpleegbaar zijn via www.lias.be.

Waarom lid van de VVBAD worden?

  • Deel zijn van het netwerk van experten en collega's
  • Mee de belangen van de informatiesector behartigen
  • Korting krijgen op de activiteiten van de VVBAD
  • Toegang krijgen tot vakinformatie
  • Participeren in de verenigingsbesturen
Word lid

VVBAD maakt gebruik van cookies om uw gebruikservaring te optimaliseren. Door deze te accepteren of door gebruik te blijven maken van deze website, gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies. Wil u meer weten over cookies, of uw cookie-instellingen voor deze website aanpassen? Bekijk dan hier de voorwaarden.

© Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief & Documentatie vzw
Statiestraat 179 | B-2600 Berchem (Antwerpen)
Tel: (+32) 03 281 44 57 | email: vvbad@vvbad.be