Twintig jaar STCV

META Nummer 2020/8

Twintig jaar STCV

Geschreven door Laura Maes
Gepubliceerd op 26.10.2020
IMPORTANT
KU Leuven Bibliotheken - Maurits Sabbebibliotheek © Vlaamse Erfgoedbibliotheken - Foto: Stefan Tavernier.

De Short Title Catalogus Vlaanderen (STCV) blaast dit jaar twintig kaarsjes uit. Het project maakt ondertussen ook al tien jaar deel uit van de vaste werking van de vzw Vlaamse Erfgoedbibliotheken (VEB), na een onzeker eerste decennium. META sprak met Susanna De Schepper, projectleider STCV bij de Vlaamse Erfgoedbibliotheken sinds 2012, en drie bibliografen van het eerste uur: Steven Van Impe, conservator oude drukken en handschriften bij de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Diederik Lanoye, verantwoordelijke documentbewerking bij KU Leuven Bibliotheken, en tot slot Goran Proot, die in 2000 mee aan de wieg stond van STCV. Ze zijn nog altijd actief betrokken bij het project.

Hoe is de Short Title Catalogus Vlaanderen ontstaan?

Susanna De Schepper: De baseline van de STCV is: de bibliografie van het handgedrukte boek in Vlaanderen. Het is een catalogus of databank waarin je op termijn alles wat ooit gedrukt is in Vlaanderen voor 1801 zou moeten terugvinden.

Steven Van Impe: Het staat ergens in een van de eerste projectaanvragen dat elke natie die zichzelf een cultuurnatie noemt, het aan zichzelf verplicht is om te weten wat voor gedrukt materiaal ze geproduceerd heeft. Je ziet dat in al onze omliggende landen, behalve Frankrijk.

Maar ook België of Vlaanderen was een zwarte vlek op die kaart. Aanvankelijk bestond het idee om een Belgische bibliografie op te stellen, maar gezien de staatsstructuur bleek het onmogelijk om subsidies voor dat project te vinden. Toen zijn we begonnen met de Vlaamse bibliografie.

Goran Proot: De STCV is inderdaad ontstaan als invulling van een lacune aan Belgische kant voor de bibliografie die in de Nederlanden samengesteld werd.

Historisch gezien zijn de grote bibliografieën die de boekproductie van de Lage Landen in haar geheel in kaart brengen projecten van de Lage Landen. Denk bijvoorbeeld aan de bibliografie van Polain voor incunabelen en aan die van Nijhoff-Kronenberg voor post-incunabelen.

Het is pas vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw, toen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden uiteengingen, dat ook vanuit bibliografisch oogpunt de twee culturen apart bestudeerd worden. In Nederland was men al dertig tot veertig jaar bezig met het samenstellen van een nationale retrospectieve bibliografie.

De behoefte was er om dat ook voor België te doen, maar uiteindelijk zijn het Vlaamse initiatiefnemers die de taak op zich genomen hebben om een Vlaamse retrospectieve bibliografie te maken naar het model van de Short-Title Catalogue, Netherlands (STCN), de Nederlandse tegenhanger van de STCV.

Vanuit het Max Wildiersfonds – binnen het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) – werd er geld uitgetrokken om voor vier jaar twee personen in dienst te nemen.

Naar Belgische normen was dat een mooi bedrag, hoewel het internationaal gezien natuurlijk een giller is. Twee mensen om 100.000 tot 200.000 bibliografische beschrijvingen te maken, is weinig. Maar we gingen toch aan de slag.

IMPORTANT
Exemplaren uit de Universiteitsbibliotheek Gent, waar STCV momenteel aan het beschrijven is.

Het beschrijvingsmodel werd in hoge mate geïnspireerd op de STCN, met als bedoeling de databanken uitwisselbaar te maken. We hebben hun model wel aangepast aan de infrastructuur die in 2000 op technologisch vlak mogelijk was.

Joost Depuydt en ik zijn gestart en samen legden we de basis voor het technisch bestek van de STCV. In dertig pagina’s werd uitgelegd wat de functionaliteit van de STCV moest worden. Alles wat de databank moest kunnen of doen was per veld uitgewerkt.

Wie kan er gebruikmaken van de catalogus?

Susanna: De databank sluit onmiddellijk aan op al die andere nationale bibliografieën, dus vanuit die context is het voor onderzoekers van de brede boekgeschiedenis zeker relevant. We merken daarnaast dat de catalogus meer en meer gebruikt wordt in de sector zelf.

Collectiebeheerders of catalografen die op zoek zijn naar informatie vinden bij ons een uitgebreide en gedetailleerde beschrijving, zoals de exacte gegevens van de drukker in kwestie. Dankzij de STCV moeten ze dat niet nog allemaal zelf opzoeken.

Ze kunnen ook nagaan – dat heb jij al vaak gezegd, Steven – hoe uniek een bepaald werk is. Als er al twintig exemplaren opgenomen zijn in de catalogus, dan weet je dat het een wijdverspreide druk is. Als dat niet het geval is, wil dat niet zeggen dat het om een uniek exemplaar gaat, maar wel dat het minder gevonden is.

Je kunt ook opzoeken wat de beste exemplaren zijn om te gebruiken voor bijvoorbeeld een tentoonstelling. Vanuit die context maken ook veilinghuizen en antiquariaten gebruik van de STCV.

Ze kunnen controleren en bekijken wat ze te koop kunnen aanbieden, hoe zeldzaam de druk is en welke collecties in Vlaanderen de druk eventueel zouden willen kopen om hun collectie aan te vullen.

Daarnaast zijn er ook veel studenten die een opdracht moeten maken over een oude druk en die bij ons gemakkelijk alle informatie daarrond kunnen vinden.

IMPORTANT
Susanna De Schepper © Vlaamse Erfgoedbibliotheken - Foto: Stefan Tavernier

Steven: Ook bibliofielen en privéverzamelaars kunnen we aan dat lijstje toevoegen. We hebben heel weinig zicht op hoeveel privéverzamelaars gebruikmaken van de databank en of ze die zelfs kennen.

De bedoeling was om in dit feestjaar deze groep aan te spreken en de STCV te promoten door te laten zien hoe nuttig de databank kan zijn voor bibliofielen en verzamelaars, maar dat is dus in het coronawater gevallen.

Susanna: Hopelijk kunnen de geplande bijeenkomsten volgend jaar plaatsvinden.

Waarom hebben jullie voor het logo van een vliegende schildpad gekozen?

Susanna: Bij de start van het project moesten we een logo kiezen. De STCN, onze Nederlandse tegenhanger, heeft gekozen voor een drukkersmerk met een zeer triomfantelijke adelaar.

Toen de STCV opgericht werd, waren ze iets realistischer met het oog op de Vlaamse context en namen ze het drukkersmerk van Hendrik van Hastens, een Leidse drukker die in Leuven actief was.

De vliegende schildpad wordt vergezeld door de leuze Cunctando Propero – ik haast me langzaam, wat tegelijkertijd ook een woordspelletje met de naam Hastens is.

Goran: De keuze voor dit drukkersmerk was ook symbolisch in die zin dat van Hastens zowel in het noorden als in het zuiden actief was.

Susanna: Het leek de toenmalige STCV-ploeg wel een geschikt logo, wetende dat er een berg werk op hen te wachten lag en dat er sowieso minder subsidies en personeel beschikbaar zouden zijn dan wanneer zoiets vanuit een nationale context gebeurt.

Ik denk dat dit een terechte keuze was, want twintig jaar verder is er al heel veel gedaan, maar is er ook nog heel veel dat moet gebeuren. We hebben een heel stuk van de zeventiende eeuw toegevoegd, maar de vijftiende, zestiende en achttiende eeuw liggen nog op ons te wachten.

Er zijn ook veel collecties die minder evident zijn om onmiddellijk te beginnen invoeren; ik denk bijvoorbeeld aan grote abdijbibliotheken.

Steven: Of aan KBR. Ze hebben een van de grootste collecties Vlaams drukwerk dat nog niet in de STCV zit.

Goran: Er staat inderdaad nog heel wat op de menukaart van de STCV. Ik vind het een grote fout dat de STCN de vroegste periode, het laboratorium van de boekdrukkunst, slechts minimaal verwerkt heeft in hun databank door bestaande bibliografieën zonder verdere controle over te nemen.

STCV mag die fout niet maken. Ik vind het cruciaal dat de STCV in de nabije toekomst met die incunabelen systematisch aan de slag gaat. We kunnen hierdoor een benchmark zetten voor de incunabulistiek door de incunabelen te beschrijven op een doorgedreven manier en met de exemplaren in de hand.

IMPORTANT

Op lange termijn hebben we werk voor minstens nog eens twintig jaar: er zijn nog zoveel blinde vlekken die we kunnen opvullen. Zo moet het Nederlandstalige drukwerk uit de Oude Nederlanden nog aangepakt worden. Daarmee bedoel ik de drukken die in bijvoorbeeld Luik of Bergen geproduceerd werden, of in Frans-Vlaanderen. Daarnaast moeten we alles dat hier geproduceerd is en naar het buitenland geëxporteerd werd ook opnemen. Nog heel wat werk voor de toekomst dus, maar of er budgettair ook een toekomst is, dat weet ik niet.

De zoektocht naar continuïteit en budget in de eerste tien jaar lijkt me een moeilijke taak?

Steven: Ja, dit is zeker iets waar we trots op mogen zijn: gewoon het feit dat we na twintig jaar nog bestaan. De manier waarop dit soort projecten in Vlaanderen gebeurt, is met projectsubsidies die een of twee jaar lopen en misschien nog eens met een jaar verlengd kunnen worden. That’s it.

Maar voor wetenschappelijk onderzoek of pre-wetenschappelijk onderzoek, wat dit project eigenlijk is, heb je een veel langere termijnvisie nodig.

Het feit dat we er na twintig jaar nog altijd zijn en dat er heel veel verschillende trucjes uitgevonden zijn om ervoor te zorgen dat die continuïteit er kan zijn, dat is toch een enorme verwezenlijking.

Goran: Na de eerste vierjarige subsidie van het Max Wildiersfonds, heb ik andere manieren moeten zoeken om subsidies te krijgen. Om redenen die niets met de inhoud van het project te maken hebben, konden we bij het FWO geen subsidie meer aanvragen. Op het moment dat het geld op was, werd ik projectleider.

Fase 1 van het project was afgerond, maar er was geen geld voor fase 2. Zo zie je maar dat het voortbestaan van de STCV heel fragiel kan zijn. Ik heb toen alles uit de kast gehaald en ben maanden bezig geweest om een projectsubsidie te vinden. Uiteindelijk kon de Vlaamse overheid hierin voorzien.

Het budget was niet te vergelijken met de projectsubsidie van het FWO, we vielen terug op een projectsubsidie op jaarbasis, wat zeker niet ideaal is voor langetermijnprojecten.

Het eerste jaar kreeg ik geld om een persoon aan tachtig procent aan te nemen, de jaren daarna kon die persoon voltijds werken, maar wel zonder werkingsmiddelen. En toch is het gelukt.

De vzw Vlaamse Erfgoedbibliotheken heeft daarna een volwassen STCV opgenomen in haar dagelijkse werking en op die manier bestaat deze nog altijd. Ik denk dat het feit dat het project nog steeds zoveel succes heeft, samen hangt met een bedrijfscultuur die ik samen met Joost Depuydt en later met Stijn Van Rossem heb geïntroduceerd.

Bij de STCV gaan we uit van generositeit en welwillendheid. We hebben veel van elkaar gedaan gekregen, niet op basis van budgetten op papier of geld in een schuif, maar op basis van een gemeenschappelijk doel, namelijk dit waardevolle project verder tot voltooiing te brengen. We deden veel op basis van goodwill.

Hoe gaan jullie dan te werk?

Susanna: Alles wat in de catalogus ingevoerd wordt, gebeurt met het boek in de hand om echt alle details goed te kunnen zien. Daarvoor moet je ook effectief ter plaatse gaan. In de beginjaren van de STCV waren er altijd, of bijna altijd, twee personeelsleden die samen op pad gingen.

Daarna is dat steeds maar gereduceerd, voornamelijk om financiële redenen. Ik ben momenteel de enige die echt structureel voor de STCV werkt, toch als een groot deel van mijn opdracht.

IMPORTANT
Dionysius van Rijkel, Speculum conversionis peccatorum, Aalst, 1473. Universiteitsbibliotheek A'pen ©VEB. Foto: Stefan Tavernier

Daarnaast werken we met samenwerkingen die we opzetten met bibliotheken of instellingen die bibliothecair erfgoed hebben, zoals stadsarchieven. Dan wordt iemand van het eigen personeel daar opgeleid om werken in te voegen in de catalogus. Ik ga langs voor begeleiding, controle, vragen en advies.

Momenteel werk ik in de Universiteitsbibliotheek Gent, volgend jaar zal dat vermoedelijk de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen zijn. Zo schuift het steeds weer verder en verder.

Wat zijn de grootste veranderingen gedurende twintig jaar?

Steven: Het project is altijd stelselmatig aangepakt. Omdat er zoveel werk lag, is er in het begin beslist om enkel het Nederlandstalige drukwerk van de zeventiende eeuw in te voeren in de databank.

Eens dat goed vertrokken was, is het taalcriterium verruimd en zijn alle zeventiende-eeuwse drukken uit de Zuidelijke Nederlanden, of beter: uit het huidige Vlaanderen, in aanmerking gekomen.

Dat wil zeggen dat we ook Franse, Spaanse, Latijnse, Griekse en Engelse drukken in de STCV ingevoerd hebben, waardoor het werk verdubbelde. Een paar jaar later is dan beslist om niet alleen naar de zeventiende eeuw te kijken, maar alles te verwerken tot en met 1800.

Dat betekent vanaf de eerste drukken van Dirk Martens in Aalst tot het laatste jaar van de achttiende eeuw. Dat zorgde er opnieuw voor dat ons werk verdubbelde.

Maar doordat we zo stapsgewijs konden uitbreiden, begonnen we niet aan een onmogelijke hoop werk, maar konden we op kleinere stukjes uittesten en ons steeds verbeteren. Een andere grote verandering vindt plaats op technologisch vlak.

In 2000 waren digitale camera’s vrij nieuw: er werden toen vooral foto’s van de titelpagina genomen en ingevoerd in de databank. In sommige gevallen gebruikten we ook scans, maar omdat er nu digitaal zoveel meer mogelijk is, gaan we ook op zoek naar gedigitaliseerde exemplaren die we toevoegen aan de databank.

We vergelijken het digitale exemplaar altijd met een fysiek exemplaar. We werken steeds met het boek in de hand, omdat er anders misschien verkeerde linken gelegd worden.

Boeken die er op het eerste gezicht hetzelfde uitzien, kunnen toch anders zijn, en we willen geen foute verwijzingen in de catalogus. Voor de gebruiker is het een winst, want op die manier heeft hij of zij toegang tot de inhoud van de druk, waar ook ter wereld.

IMPORTANT
Drukkersmerk.

Susanna: We nemen ook meer foto’s dan vroeger, omdat de opslagruimte veel groter wordt. In de loop der jaren zijn er ook meer mogelijkheden bijgemaakt om te zoeken in de online databank. Nu kunnen er gerichtere vragen gesteld worden aan de databank. Sinds kort is ze ook volledig als open data beschikbaar.

Goran: Een belangrijk aspect van de STCV is de permanente gevoeligheid voor vernieuwing. Ons model mag dan wel gebaseerd zijn op de STCN, we hebben vrij snel besloten ons daar niet op vast te pinnen. We willen verder gaan en net verbeteren.

De STCN was bijvoorbeeld begonnen met enkel een hoofdauteur op te nemen. Als een tweede auteur of de naam van een illustrator duidelijk vermeld staat in de druk, voegen ze die niet toe in de beschrijving. Dat doen wij wel.

Waar de STCN enkel de titelpagina’s toevoegt, hebben wij besloten ook de drukkersmerken en belangrijke pagina’s op te nemen. Een belangrijke stap is de koppeling naar Google Books en andere projecten. Sinds 2015 heb ik ook het initiatief genomen om de zogenaamde sheet count toe te voegen aan het model.

Geen enkele bibliografie op de wereld heeft dat tot nu toe gedaan, behalve de STCV. We geven aan uit hoeveel drukvellen een exemplaar bestaat. We weten al honderd jaar of langer dat dat een cruciaal gegeven is voor een bibliografie, maar omdat er geen traditie is om dat expliciet op te nemen, doet niemand het.

De stap die wij gezet hebben, lijkt misschien klein, maar is op bibliografisch vlak baanbrekend. De STCV kan op die manier andere databanken en bibliografieën inspireren en onderzoekers faciliteren meer met  zulke gegevens te doen.

Joost en ik liepen in 2000 een week lang stage bij de STCN. Die stage was razend interessant, maar toonde mij ook de rigiditeit waarmee de STCN toen al twintig jaar werkte.

Coherentie is zeer belangrijk voor een databank, maar dat mag vernieuwing en opportuniteiten niet uitsluiten. Ik blijf een soort bewaker, misschien wel stiefmoeder, van de STCV, gewoon omdat ik er zeker van wil zijn dat we onszelf steeds proberen te verbeteren.

Elke euro die naar het project gaat, moet een symbolische twee euro waard worden. Hiermee wil ik zeggen dat je hefbomen moet zoeken om met hetzelfde meer te kunnen doen dan voordien.

Waar zijn jullie extra trots op?

Diederik Lanoye: Een van de punten waar je het best de resultaten of het potentieel van de STCV kunt zien, is de campagne in het stadsarchief van Mechelen. We hebben een zo goed als onbekende collectie in beeld gebracht en geregistreerd. Het zwaartepunt ligt op lokale, Mechelse oude drukken.

In de wetenschappelijke literatuur was er nauwelijks iets geweten over Mechelen als drukkersstad. Nu kunnen historici heel gerichte vragen stellen aan de collectie: wanneer en waar zijn die boeken verschenen? Welke vorm nemen ze aan? Waarover gaan ze? Zonder de STCV was dat niet gelukt.

IMPORTANT
KU Leuven Bibliotheken - Maurits Sabbebibliotheek © Vlaamse Erfgoedbibliotheken – Foto: Stefan Tavernier.

We hebben de collectie omgezet naar een tentoonstelling die plaatsvond in het Schepenhuis in Mechelen. Dat project toont heel goed wat je met de STCV kunt en waarom het zo belangrijk is iets echt volledig te doen en niet maar enkele boeken.

Mechelen was totaal onbekend als drukkersstad, maar dankzij die rijke collectie hebben we dat meteen volledig in beeld kunnen brengen en zijn we tot nieuwe inzichten gekomen. In elk geval was het een sterke aanvulling op wat we wisten over Mechelen als drukkersstad.

Zo zijn er heel wat mogelijke onderzoekslijnen verkend, zowel door STCV-medewerkers als door onderzoekers. De drukgeschiedenis en de boekgeschiedenis zoals die in de meer populaire cultuur naar buiten gebracht worden, vormen een verhaal van hoogtepunten en grote monumenten uit de geschiedenis.

De STCV laat toe om te tonen dat het veel meer is dan dat. Drukken zijn niet alleen prachtige bijbels, integendeel, er bestaat heel gewoon drukwerk in heel wat verschillende genres. Trots ben ik ook op de expertisedeling die dankzij de samenwerkingen mogelijk is.

De laatste tien jaar hebben niet alleen de projectmedewerkers, maar ook de mensen uit de archieven en bibliotheken het zelf steeds meer in de vingers om oude drukken te doorgronden.

Steeds meer mensen kunnen de kenmerken en de fysieke samenstelling van hun collecties ontsluiten en dat komt doordat we via workshops die expertise delen. Tien tot vijftien deelnemers leren in vijf intensieve dagen hoe ze oude drukken moeten beschrijven.

Daardoor kunnen ze bij hun eigen catalogus veel beter werk leveren, waardoor het voor onderzoekers gemakkelijker zoeken wordt. Alles wordt zoveel beter beschreven. Die kennisdeling vind ik een erg belangrijk aspect dat we zeker moeten verderzetten.

Susanna: Dat wilde ik inderdaad ook nog toevoegen. Als we zo’n samenwerking opstarten, is dat altijd heel veel informatie voor die mensen en dat kan ze afschrikken. Maar op relatief korte termijn raakt bijna iedereen gefascineerd door de oude drukken en dat enthousiasme breidt uit.

Dat is echt tof om te zien. Na een samenwerking weten mensen uit bijvoorbeeld stadsarchieven ons nog altijd te vinden en delen ze hun kennis dan weer met hun collega’s. Dat is fijn om te zien, want zo creëer je toch een heel doelpubliek dat zich actief bewust is van de beschrijving van oude drukken, en die expertise ook deelt.

Goran: Misschien is dit wel het moment om te vermelden dat Susanna voortreffelijk werk doet. Ik hoop dan ook dat Susanna over tien jaar nog altijd bij de STCV is.

Jullie hadden het er eerder al over, maar hoe vieren jullie de twintigste verjaardag van de STCV?

Susanna: Heel wat van onze plannen zijn in het water gevallen door corona. Als de wereld weer een beetje normaal wordt, zouden we ons feestjaar gewoon een jaartje verlengen.

Maar het zal afhangen van hoe 2021 eruit zal zien of we dat effectief kunnen doen. Ik denk dat er wel voldoende reden is om te feesten, die behoefte is er bij de mensen die al lange tijd betrokken zijn bij het project.

IMPORTANT
Exemplaar uit de Universiteitsbibliotheek Gent, waar STCV momenteel aan het beschrijven is.

Een feestmoment is daarnaast ideaal om de verschillende doelgroepen actief aan te spreken. We hadden ook een leuke activiteit gepland met het Museum Plantin-Moretus. Het is niet alleen onze verjaardag dit jaar, maar veel belangrijker: Christoffel Plantijn is vijfhonderd jaar geleden geboren.

We gingen samen met het museum, hackathon-gewijs, een dag lang zoveel mogelijk Plantindrukken invoeren in de databank. Maar daarvoor moeten we te dicht op elkaar zitten in de leeszaal. Uitstel is geen afstel, vijfhonderd jaar plus één, en twintig jaar plus één, dat kan geen probleem zijn.

Hoe zien jullie de toekomst?

Susanna: Het minimale scenario is dat alles blijft draaien zoals het is. Er wordt dagelijks ingevoerd en er zijn occasionele samenwerkingen waarbij extra werk geleverd wordt.

Een maximaal fijn scenario zou zijn dat we, zoals de ons omringende landen, met een ploeg van vijftien mensen actief kunnen doorwerken om echt vooruitgang te boeken. Niet echt realistisch in Vlaanderen, maar we kunnen er wel naar blijven streven.

Steven: Ik hoop vooral dat er nog twintig jaar bijkomen.

Susanna: Absoluut, we hebben onze schildpad nu effectief laten vliegen, hopelijk kan hij dat blijven doen.

Goran: Het mooiste wat ik aan het project overgehouden heb, is vriendschap; vriendschap die ontstaan is vanuit een gemeenschappelijk doel: het voltooien van de STCV.

> STCV.be

Waarom lid van de VVBAD worden?

  • Deel zijn van het netwerk van experten en collega's
  • Mee de belangen van de informatiesector behartigen
  • Korting krijgen op de activiteiten van de VVBAD
  • Toegang krijgen tot vakinformatie
  • Participeren in de verenigingsbesturen
Word lid

VVBAD maakt gebruik van cookies om uw gebruikservaring te optimaliseren. Door deze te accepteren of door gebruik te blijven maken van deze website, gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies. Wil u meer weten over cookies, of uw cookie-instellingen voor deze website aanpassen? Bekijk dan hier de voorwaarden.

© Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief & Documentatie vzw
Statiestraat 179 | B-2600 Berchem (Antwerpen)
Tel: (+32) 03 281 44 57 | email: vvbad@vvbad.be