Hoewel er in Nederland al heel wat aan boekhistorisch onderzoek is verschenen, bestond er geen omvangrijke studie naar de particuliere verzamelaars van boeken. Voor het eerst verschijnt nu een boek dat de geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie in haar geheel wil beschrijven, een lacune die in andere taalgebieden vaak reeds jaren geleden werd ingevuld. Nederlandse boekenverzamelaars, zo verklaart de auteur, zijn over het algemeen weinig spraakzaam over hun collecties.
Dat Piet Buijnsters, voormalig professor in de letterkunde van de achttiende eeuw en al jarenlang fervent bezoeker van beurzen en veilingen, de geknipte man is om dit boek te schrijven staat buiten kijf. Enkele jaren geleden publiceerde hij al de Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat. Beide boeken zijn gebaseerd op Buijnsters' fenomenale geheugen en zijn kennis van het vakgebied, met al zijn kneepjes, truukjes en eigenaardigheden. Ook de verzamelaars zelf hebben (zoals het cliché het wil) hun eigenaardigheden, die door Buijnsters met enkele pennenstreken trefzeker en soms ongenadig worden neergezet.
Dat Buijsters het, buiten een overigens indrukwekkende verzameling van korte artikels, vooral moet doen met zijn eigen ervaring en geheugen heeft helaas voor gevolg dat het boek eerder een persoonlijke geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie geworden is. Niet dat Buijnsters, bescheiden als hij is, zichzelf in de kijker wil zetten - wanneer hij over zichzelf als verzamelaar praat is dat in de derde persoon! - maar het verhaal wordt toegespitst op veilingen waar hij zelf aanwezig was en de bibliofielen wiens collecties hij bezocht. Aangezien hij bij Johan Polak nooit werd toegelaten, schrijft hij (enigszins nukkig, lijkt het) over deze belangrijke verzamelaar slechts enkele regels.
De aandacht gaat in het boek meer naar de verzamelingen dan naar de verzamelaars, waarbij als belangrijkste bron de veiling wordt gebruikt waarin die verzameling verkocht werd. De lezer heeft weinig aan de opsomming van lotnummers, titels en hamerprijzen, die overigens zelden in context worden geplaatst. Ook elders ontbreekt vaak context. Het boek verzandt soms in vermoeiende opsommingen van details die weinig ter zake doen - dat een te koop aangeboden boek een eeuw eerder eigendom was van een bepaald Engels bibliofiel (p. 78) zou misschien nog interessant kunnen zijn indien het de herkomst van een collectie verduidelijkt of verschuivingen in de internationale boekenmarkt aantoont, maar als terloopse vermelding is het eerder ballast.
Al deze tekortkomingen hebben één en dezelfde oorzaak: De voornaamste bron voor dit boek is het geheugen van zijn auteur. Maar wat voor een fenomenaal geheugen! Jammer is dat Buijnsters getracht heeft die persoonlijke kleuring te objectiveren - het boek was ongetwijfeld een stuk leesbaarder indien hij net méér persoonlijke ervaringen had opgeschreven en minder had getracht volledigheid na te streven, wat duidelijk mislukt is. Er is ook nauwelijks sprake van enige synthese: Hoewel het boek in verschillende thematische en soms min of meer chronologische hoofdstukken is onderverdeeld, bestaan die hoofdstukken vaak uit niet meer dan min of meer uitgebreide biografieën van verzamelaars. De sociaal-historische context, de persoonlijke drijfveren, de psychologie achter het verzamelen komen slechts zeer terloops aan bod.
Toch blijft dit boek een zeer welgekomen en uitermate bruikbaar werkstuk, niet in het minst door de omvangrijke bibliografie en het goede register, dat toelaat het boek als een soort naslagwerk te gebruiken. De grote verdienste van Buijnsters is dat hij een immense verzameling materiaal heeft bijeengebracht, aangevuld met persoonlijke ervaringen van een bevoorrechte getuige. Het is nu aan de volgende generaties boekhistorici om met dit materiaal aan de slag te gaan.
Steven Van Impe