In Digitaal is het nieuwe normaal denkt Peter Hinssen vooruit. Hij denkt niet aan morgen, ook niet aan overmorgen, hij denkt aan het eindpunt. Hinssen vraagt zich af hoe de wereld er zal uitzien wanneer de digitale revolutie ten einde is, wanneer het onderscheid niet meer bestaat tussen digitale immigranten en digitale inboorlingen - begrippen waarmee hij furore maakte tijdens zijn keynotelezing op Informatie 2007. Het is geen boek over gadgets geworden. Je leest er niet in welke rage ons te wachten staat na de iPad. Het gaat wel over de grote lijnen. Zo stelt Hinssen vast dat informatie steeds korter wordt. Van lijvige rapporten over ‘executive summaries' van een A4'tje tot twitterberichten van 140 tekens. Het eindpunt van deze evolutie, de limiet, zijn berichten zonder inhoud. In zijn wiskundige notatie: limiet(lengte) = 0. Op dezelfde manier kunnen we uiteindelijk via internet alle mogelijke informatie vinden over gelijk welk onderwerp, we kunnen oneindig diep gaan. Kortweg: limiet(diepte) = ∞. Zo gaat hij voort: informatie wil gratis zijn, gebruikers willen hun gegevens maar één keer inbrengen en van hun privacy maken ze geen punt.
Deze limieten leiden naar enkele fundamentele regels in het digitale tijdperk. Veel wiskunde - of zelfs veel redeneren - komt daar niet aan te pas. Hinssen stelt vooral vast, meestal aan de hand van goed gekozen anekdotes. Hij volgt daarin de traditie van heel wat managementliteratuur. In elk geval sluiten zijn bevindingen goed aan bij onze dagelijkse ervaring. Regels zijn bijvoorbeeld een nultolerantie voor digitaal falen en een voorkeur voor ‘goed genoeg' in plaats van perfectie. De netbook waarop ik deze recensie tik is traag en heeft gebreken, maar is goed genoeg om op verplaatsing mails te lezen, te twitteren of wat nota's te nemen. Meer moet het niet zijn.
‘Response is the message', zo vat Hinssen de opkomst van de sociale media samen. Bedrijven en organisaties verliezen de controle over hun communicatie. Het komt er op aan om consistent informatie te verspreiden via alle kanalen. Interactie met de gebruiker en de opbouw van een gemeenschap, of beter: van gemeenschappen op verschillende niveaus van betrokkenheid, staan centraal. Hinssen wijst daarbij op het belang van voortdurende aanpassing en individualiseren. Nieuwe diensten zijn voortdurend in beta. De evolutie gaat zo snel dat ze niet afgewerkt worden, maar vervangen door nieuwe diensten, ook weer in beta. Samengevat: limiet(verandering) = constant en limiet(afgewerkt) = beta. Als dat geen uitdaging is. Of is het gewoon de realiteit waar we nu al in leven?
Bijzonder interessant voor onze sector is het hoofdstuk over informatiestrategieën. Hinssen maakte enkele jaren geleden grote indruk op onze sector met zijn lezing op Informatie in Gent. Maar het is duidelijk dat onze sector op hem weinig indruk heeft gemaakt. Bedrijven hebben nood aan een informatiestrategie, maar hoe ze met die uitdaging moeten omgaan, is minder duidelijk. "Het antwoord op de vraag (is) verdwenen in de kloof tussen management en IT", schrijft hij. En is het niet net daar dat de informatiespecialist zich bevindt? In de toekomst, zo gaat hij voort, is het probleem niet een tekort aan informatie dat onze blik onscherp maakt, maar juist een teveel. En nog wat verder: snel informatie vinden, is belangrijker dan niets kwijt geraken. Het hele hoofdstuk is geschreven op maat van de informatiespecialist: archivaris vooral, maar ook bibliothecaris of documentalist. Hinssen heeft, jammer genoeg, geen weet van de technieken en procedures waarover wij beschikken en die juist ontworpen zijn om de problemen die hij beschrijft, aan te pakken. We hebben als sector op Informatie 2007 in Gent goed geluisterd, maar te weinig gesproken.
Naar het einde toe wordt Digitaal is het nieuwe normaal een managementboek met sterke nadruk op klanten, ondernemerschap en innovatie. Die hoofdstukken zijn voor onze sector misschien minder bruikbaar. Wie op zoek is naar concrete aanbevelingen, naar tips voor de praktijk, zal het boek allicht wat teleurgesteld naast zich neerleggen. En wie stellingen verwacht, onderbouwd door onwrikbare argumenten, zal geregeld stoten op hiaten in de redenering. Maar Hinssen dwingt ons wel om na te denken over de toekomst, over het eindpunt. Als organisaties kunnen we daar beter maar al mee bezig zijn. Innovatie vraagt immers tijd. En tussendoor leren we dat we als sector nog altijd te weinig uitpakken met onze troeven. Wat de limieten en de regels van Hinssen uiteindelijk betekenen voor uw instelling, zal u zelf moeten uitzoeken. Er is in elk geval werk aan de winkel.