[Arkiv]magasinet, nrs. 1,2 en 3

Aanwezig in de bibliotheek van het ADVN (Antwerpen).

Elk nummer van dit Noorse (rijks)archieftijdschrift Magasinet (voorheen Arkivmagasinet) heeft zoals gewoonlijk een hoofdthema: voor deze jaargang zijn dat respectievelijk de archiefbronnen voor de landbouwgemeenschappen in het gebergte, de zeventiende eeuw en de repressie na de Tweede Wereldoorlog.

De doorbraak vanaf 1660 van het koninklijk absolutisme in Denemarken-Noorwegen leidde tot de doorgedreven uitbouw van het staatsapparaat en daardoor noodgedwongen tot de accumulatie en bewaring van archiefmateriaal. De 17e eeuw werd de eerste ‘archiefeeuw’; tot 1650 kan men spreken van ‘documenteeuwen’, vanaf dan waren er series, vooral geproduceerd door de Rekenkamer, waarvoor meters en meters depotruimte nodig was (Alfhild Nakken, Det første arkivårhundret. 1600-tallet i Riksarkivet og statsarkivene, nr. 2; p. 6-11). Vormt de recente opkomst van gedigitaliseerd en 'digital born' archief het begin van een omgekeerde beweging? Er valt in ieder geval in deze jaargang ter zake weer heel wat nieuws te rapen rond digitaal archief. We noteren alvast een alomvattend parlementair rapport waarin onder andere het plan om 10 procent van de bestanden van het Noorse rijksarchief te digitaliseren, d.w.z. 30.000 lopende meter of 270 miljoen bladzijden (Notiser, nr. 2; p. 38).

Net zoals de Belgische regering in Londen tijdens de Tweede Wereldoorlog, vaardigde ook Noorwegen vanuit de Britse hoofdstad maatregelen uit rond collaboratie (en oorlogsmisdaden); die werden door het Noors parlement in 1945-1947 omgezet in wetten. Ongeveer 90.000 collaboratiedossiers werden opgesteld (en circa 350 zaken rond landverraad behandeld) (Ole Kolrud, Det store oppgjøret, nr. 3; p. 6-8): de dossiers belandden, in het Rijksarchief (Ole Kolsrud, Landssvikarkivet, nr. 3; p. 9-11). Volgens artikel 13 van de wet op de overheidsadministratie (én de wet op de openbaarheid, eveneens artikel 13), geldt er voor zestig jaar vanaf het ontstaan van de documenten de taushetsplikt (letterlijk ‘de verplichting tot stilzwijgen’) voor de
informatie bevat in de documenten (maar dus niet voor de raadpleging van de documenten). Nu die zestig jaar voor de meeste dossiers voorbij zijn, rijst de vraag in hoeverre de dossiers gebruikt kunnen worden (Trond Kielland Haakensen,
60 år, og hva nå? Inssyn i landssviksaken, nr. 3; p. 18-20)? Het is nu de rijksarchivaris die dient te bepalen of de taushetsplikt al dan niet opgeheven wordt. Daarom wordt elke aanvraag tot inzage afzonderlijk behandeld. De wettekst is echter zeer vaag over de criteria waarop die beslissing dient gebaseerd te zijn. De rijksarchivaris gaat daarvoor uit van interne richtlijnen die in de loop der jaren uit de praktijk ontwikkeld werden (cf. de situatie ter zake bij de privaatrechtelijke archiefinstellingen in Vlaanderen). En dan niet zozeer de algemene regels, waarbij zaken rond (psychiatrische) gezondheid, strafbare aangelegenheden en bepaalde soorten familiezaken onder embargo blijven. Collaboratiezaken vallen immers sowieso onder het strafrecht en in de praktijk werden specifieke regels voor dit soort dossiers ontwikkeld. Zoals de automatische vrijgave van dossiers van leden van Nasjonal Sammlung (NS), de collaborerende partij, en van leidende ambtenaren in de collaboratie, omdat die geacht worden bekend te zijn; hetzelfde geldt voor alom bekende privézaken (bijv. van de schrijver Knut Hamsun). In twee andere gevallen wordt eveneens de zwijgplicht opgeheven. Vooreerst indien de betrokkenen zelf (of hun kinderen) de informatie willen gebruiken. Anderzijds indien het dossier voor wetenschappelijk onderzoek gebruikt wordt: daarvoor gelden echter heel wat bijkomende voorwaarden.
De vorser dient minstens een master te hebben, het onderzoeksproject moet nauwkeurig beschreven zijn, een verbintenis tot discretie dient ondertekend te worden, de onderzoeker mag de betrokkenen niet contacteren én hij mag de gegevens wel aanwenden maar zodanig dat niemand kan geïdentificeerd worden (de anonimiteitsplicht).

Ondanks al die hindernissen is het repressiearchief momenteel echter één van de meest geconsulteerde bestanden in Noorwegen. Uit het eerste nummer leren we dan weer dat het meeste gebruikte privaatrechtelijk archief in het Noors Rijksarchief niet dat van een familie, persoon of grote organisatie is, maar wel het resultaat van het onderzoek is dat het interdisciplinaire Institutt for Sammenlingende Kulturforskning (het instituut voor vergelijkend cultuuronderzoek) van
1928 tot 1962 uitvoerde naar de boerengemeenschappen die tijdens de zomer in het gebergte bedrijvig waren en waaruit heel wat informatie over het dagelijks leven kan afgeleid worden. (Luc Boeva).

Titel: 
[Arkiv]magasinet
Uitgever: 
Oslo: Riksarkivet
Jaar: 
2009
ISSN: 
0801-5449
Nummer(s): 
1,2 en 3